Beroep en welstand

De eerste generaties Warmonden/Schouten waren (vermogende) boeren en behoorden in de zestiende eeuw wellicht tot de Rijnlandse ‘welgeborenen’. Er bestaan verschillende theorieën over wat welgeborenen waren. Een aannemelijke verklaring is dat welgeborenen verarmde ridders waren, die tot het boerenbedrijf waren ‘vervallen’. Hun voornaamste onderscheid ten opzichte van hun omgeving was hun afkomst en het aanzien dat die afkomst in hun gemeenschap gaf. Welgeborenen zijn te vinden onder de bezetters van ambten als schout en ambachtsbewaarder (schepen) op het Rijnlandse platteland. Het onderscheid door hun afkomst werd vaak door de jaren heen minder. Uiteindelijk gingen veel welgeborenen geruisloos op in de boerenstand.

De Warmonden bezaten en pachtten landerijen voor hun agrarische bedrijven in Voorhout, Lisse en Sassenheim. De grondgebieden van deze dorpen vormde één uitgestrekt agrarisch gebied. Het ging deze generaties economisch voor de wind. Zij beschikten over behoorlijke boerenbedrijven en uit de hoogte van de hun opgelegde belastingaanslagen blijkt dat zij in hun dorpen tot de vermogende inwoners behoorden.

Jacob Willemsz van Warmond (overleden 1558/59) was schout van Voorhout, in de jaren veertig en vijftig van de zestiende eeuw. Hij behoorde dus tot de toplaag van bestuurders op het platteland. Zijn kleinzoon Jan Pietersz (overleden 1632) trouwde met een kleindochter van een schout van Lisse. Warmonden trouwden in de zestiende en zeventiende eeuw meisjes met in de regio bekende achternamen: Van der Cluft, later Van Zwieten, Van Wassenaar, Van Egmond.

In de zestiende en zeker nog in het begin van de zeventiende eeuw behoorden de Warmonden/Schouten dus tot de vermogende bovenlaag in hun dorpen en hadden ook in het plaatselijke bestuur wat te vertellen.

Het is niet bekend of de Warmonden in de Wassenaarse jaren (ca. 1660 – 1690) ook boeren waren. Uit de periode (1690 – 1760) dat de Warmonden in Oegstgeest woonden, is bekend dat een familielid (Jan Pietersz Warmond) in 1725 grond en een huis (of een boerderij?) huurde op het landgoed Poelgeest. Een ander familielid (Pieter Cornelisz Warmond) trouwde in 1755 ‘pro deo’, wat op een geringe welstand wijst. De familie behoorde in de achttiende eeuw niet langer tot de vermogende bovenlaag in hun gemeenschap.

Zeker toen de familie in 1764/1765 naar de stad verhuisde, werd de band met het agrarisch bestaan verbroken. Arij Warmond (1780 – 1831) was in Leiden, in ieder geval vanaf 1815, van beroep melkverkoper, wellicht een echo van het plattelandsbestaan. Zijn zoon Hendrikus Warmond (1816 – 1859) werkte als metselaar en op het eind van de negentiende eeuw verdiende Antonie Johannes Arnoldus Warmond (1847 – 1918) de kost als ‘sjouwer’ en ‘werkman’. Daarmee waren de Warmonden echte proletariërs geworden, die leefden van het aanbieden van hun lichaamskracht. Van vermogende agrariërs in de zestiende eeuw waren zij drie eeuwen later afgezakt tot arme stedelingen.